Bezocht datum
De Vliert: een stadion dat twee keer open ging
Er zijn stadions waar je één keer binnenkomt en daarna gewoon weer naar huis gaat. En er zijn stadions die ergens blijven hangen. De Vliert is voor mij zo'n stadion. Ik ben er twee keer binnen geweest, met tientallen jaren ertussen. De eerste keer als jonge voetballiefhebber die vooral onder de indruk was van wat er op de tribune gebeurde. De tweede keer als groundhopper die alle tijd had om eens rustig rond te kijken.
Het waren twee verschillende werelden, maar wel hetzelfde stadion.
Eind jaren tachtig was FC Den Bosch een prima subtopper in de Eredivisie. Namen als Jan van Grinsven, Fred van der Hoorn, Cor Adriaanse, René van Eck, Bud Brocken, Jack de Gier en Hans Gillhaus stonden op het veld. Voor mij waren het namen van spelers die bij het grote voetbal hoorden. Spelers die ik kende van televisie, uit de krant en van de voetbalplaatjes. Den Bosch was in die jaren geen club die je zomaar even opzijzette.
Ik was er tijdens een voorjaarsvakantie met mijn ouders en ontmoette op het vakantiepark een fanatieke supporter van FC Den Bosch. Hij was niet alleen fanatiek, zo bleek later. Hij nam me mee naar De Vliert en belandde met mij in het meest fanatieke vak.
Het was de tijd van de hooligans en de rellen. De tijd waarin hoge hekken nog gewoon bij een voetbalstadion hoorden en waarin een bezoek aan een uitwedstrijd of een fanatiek thuisvak soms iets meer vroeg dan alleen een kaartje kopen en je stoel zoeken. Ik had inmiddels wel het een en ander gezien, maar dit was van een andere orde. Het vak brulde, dreunde en bewoog. De energie was prachtig en tegelijkertijd wist ik vrij snel dat dit voor mij net iets te fanatiek was. Ik keek mijn ogen uit, maar voelde ook dat ik hier niet helemaal thuishoorde. Dat was De Vliert zoals ik hem leerde kennen. Rauw, ongepolijst en met een soort spanning die je tegenwoordig nog maar zelden in een stadion tegenkomt.
Jaren later kwam ik terug. Niet voor een wedstrijd en ook niet voor een volle tribune. Ik was onderweg naar België en had een uurtje over. De laatste competitieronde in de Eerste Divisie was net achter de rug en onder een vriendelijk voorjaarszonnetje had De Vliert even niets te doen. Ik blijkbaar ook niet.
De deur ging open en ineens mocht ik naar binnen. Dat klinkt eenvoudiger dan het misschien was. Voor iemand die al jaren stadions bezoekt, is zo'n moment toch elke keer weer bijzonder. Je krijgt niet alleen toegang tot de tribunes, maar ineens ook tot de ruimtes en hoeken waar je normaal gesproken langs loopt. Geen wedstrijdspanning, geen supportersstromen, geen stewards die je vertellen waar je wel en niet mag komen. Gewoon: kijk maar. En dat deed ik.
Ik liep over de Oosttribune, waar de schilderingen van spelers uit het verleden nog altijd over het stadion waken. Ik keek bij het uitvak, liep door gangen en langs trappen en bleef natuurlijk veel te lang staan op plekken waar voor een normaal mens weinig te zien is. Maar ja. Ik ben geen normaal mens. Ik ben groundhopper en groundspotter.
De Vliert bleek nog altijd een echt klassiek Nederlands voetbalstadion. Niet perfect, niet strak en zeker niet overal even modern. Gelukkig maar. De hoge hekken uit mijn beginjaren zijn alleen nog bij het uitvak te zien, maar het stadion heeft zijn karakter behouden. Het beton, de lichtmasten, de blauwe stoeltjes, de gangen en de tribunes vertellen samen het verhaal van een stadion dat al heel wat voetbal heeft meegemaakt.
En toen kwam een van mijn maatjes binnen. Hij heeft bij het groundhoppen een vast ritueel. Terwijl ik waarschijnlijk ergens een tribune, lichtmast of verweerde deur aan het fotograferen ben, zoekt hij naar een achtergebleven wedstrijdkaartje. Ieder zijn specialisme. De prullenbakken leverden niets op. Ook de gebruikelijke hoekjes en spleten bleken teleurstellend leeg. Uiteindelijk stond er nog één mogelijkheid. Een container. Hij keek erin en zag een sporttas.
De nieuwsgierigheid won het van de twijfel en de tas kwam uit de container. We maakten hem open en ineens lag daar het complete uittenue van FC Den Bosch. Shirts, broekjes, sokken. Alles wat je nodig hebt om een wedstrijd namens de bezoekers te spelen, zo ongeveer. We keken elkaar aan. Dit was zo'n moment waarop je als groundhopper heel even twee kanten op kunt. Je kunt denken: mooi, meenemen. Of je kunt nadenken.
Wij kozen voor het tweede. We zochten onze favoriete rugnummers uit, maar voordat er ook maar één shirt in een tas verdween, gingen we op zoek naar iemand van de club. Want tussen alle ongeschreven regels van het groundhoppen staat er voor ons eentje bovenaan: Er wordt niets gesloopt. Er wordt niets gestolen.
Dat is geen excuus om iets niet mee te nemen. Het is juist de reden om eerst te vragen. De club deed uiteindelijk niet moeilijk. De tenues mochten mee en wat anders misschien in een container was verdwenen, kreeg een tweede leven. Een paar shirts kwamen bij verzamelaars terecht en zo kreeg iemand die voetbalshirts spaart er weer een exemplaar bij.
Zelf heb ik nog altijd een tastbare herinnering aan die dag. Het broekje van FC Den Bosch. Ik sport er nog steeds in. Dat levert soms wat vragende blikken op. Want waarom loopt iemand tijdens het sporten ineens in een broekje van FC Den Bosch rond als daar verder geen enkele aanleiding voor lijkt te zijn? Dan moet ik meestal even glimlachen. Want dat broekje vertelt een verhaal. Over een stadion waar ik als jonge jongen ooit tussen de fanatieke supporters stond en mijn ogen uitkeek. Over een stadion waar ik tientallen jaren later rustig doorheen mocht lopen. Over een sporttas die eigenlijk al was afgeschreven. En over een paar groundhoppers die hem niet zomaar meenamen, maar eerst vroegen of het mocht.
De Vliert ging voor mij twee keer open. De eerste keer voor het voetbal. De tweede keer voor het verhaal erachter. En ergens tussen die twee bezoeken is er blijkbaar nog een klein stukje De Vliert in mijn sporttas blijven zitten. Niet eens in de vorm van een shirt. Gewoon een broekje. En een verhaal dat nog steeds meegaat.