Aanstelleritis aan de zijlijn
Er zijn van die zaterdagen waarop het licht nét goed valt. Zo’n winterzonnetje dat het veld niet warmer maakt, maar wel mooier. Het veld lag er zwaar bij na een week sneeuw en ijzel, alsof het zelf ook even moest opstarten. Het zonnetje deed zijn uiterste best om de derde klasse een beetje glans te geven. Maar goed, een beetje modder is voor een fotograaf wat slagroom is voor een bakker: het maakt alles net wat lekkerder.
Halverwege de tweede helft, de thuisploeg 0-1 achter, kwam het moment waarvan je van tevoren al weet dat het gaat gebeuren. Twee spelers stormden op elkaar af met de subtiele finesse van twee winkelwagens die elkaar in een supermarkthoek rammen. De verdediger ging schreeuwend ter aarde, rolde een halve slag, keek even of het publiek wel keek, en besloot toen nog een extra draai toe te voegen voor de vorm.
Achter mij klonk het vertrouwde koor van de amateurvelden.
“Niets aan de hand! Scheids, tijd!”
Het soort zinnen dat je in kunt lijsten, omdat ze in elke provincie, op elk veld, in elk decennium exact hetzelfde klinken.
Ik bladerde door mijn foto’s om te zien of ik het duel scherp had. Terwijl ik inzoomde op een been dat op een ander been landde, hoorde ik achter me een klein stemmetje vol onschuld en nieuwsgierigheid.
“Mama… is dit nu aanstelleritis?”
Ik stopte met scrollen. Dit was goud. Ik draaide me om, zogenaamd om mijn lens te checken, maar in werkelijkheid om dit gesprek niet te missen. Een meisje van een jaar of zeven, muts op, wangen rood van de kou, keek met de ernst van een kinderarts naar de spartelende verdediger. Haar moeder schoot in de lach en vroeg hoe ze aan dat woord kwam.
“Dat zei de juf op school toen iemand in de klas aan het huilen was.”
Nog voordat ik kon glimlachen, mengde een man, vermoedelijk papa maar zeker supporter van de thuisclub, zich in het gesprek.
“Dit is inderdaad aanstelleritis.”
En precies op dat moment besloot de scheidsrechter dat het tijd was om de medische discussie even professioneel te kaderen. Hij liep naar de plek des onheils, keek naar de fotowaardige ravage, en trok… een gele kaart. Niet voor de patiënt, maar voor de aanvaller.
Diagnose van de scheidsrechter: géén aanstelleritis.
Ik zag op mijn scherm dat hij gelijk had. De verdediger had gewoon een flinke tik gehad. Maar eerlijk is eerlijk: het meisje had de mooiste analyse van de middag. De verdediger krabbelde overeind, het publiek mopperde nog wat na, het meisje had haar woordenschat weer een laagje verdiept, en ergens op maandagochtend zou een juf geen idee hebben dat haar uitspraak nu officieel was getoetst in de derde klasse.
Ik beet op mijn lip en lachte. Hard van binnen, zacht naar buiten. Want dit is voetbal op zaterdagmiddag. Waar iedereen een mening heeft, niemand ongelijk krijgt, en de waarheid meestal ergens ligt tussen het natte gras, een gele kaart en een meisje dat het woord aanstelleritis perfect op het verkeerde moment toepast.
Aanstelleritis. Het woord verdient een plek in het medisch handboek van de amateurvelden.
Stadionautist kijkt naar het voetbal zoals het echt is: rommelig, ontroerend, absurd. En precies daarom de moeite waard.
(Beeld: Edjestheater – waar sport een podium krijgt en elke actie een verhaal wordt.)