Bezocht datum
Niets heb ik deze dag gepland. Geen wedstrijd, geen aftrap, geen schema met tijden en vakken. Gewoon een stuk toeren. Dat zijn meestal de beste ritten. Wegen zonder bedoeling, waar stadions ineens opduiken als herinneringen die je niet zelf hebt meegemaakt, maar toch meteen herkent.
In Boom staat het hek open. Dat is bij oude stadions zelden toeval. Het is geen uitnodiging, eerder een terloopse mededeling. Kom maar even kijken, als je toch langsrijdt.
Het Gemeentelijk Parkstadion ligt in het volle zonlicht alsof het zich heeft aangekleed voor een dag zonder publiek. Geen vlaggen, geen geluid, geen geur van friet of koffie. Alleen beton, gras en stilte. En toch voelt het meteen vertrouwd. Niet verlaten, niet vergeten, maar gewoon even alleen. Alsof het stadion weet dat ik hier nu sta, ook al wist ik dat zelf nog niet toen ik uitstapte.
De hoofdtribune torent boven het veld uit zoals hoofdtribunes dat doen in dorpen en kleine steden. Steil, serieus, licht overdreven. Gebouwd door mensen die ooit hebben gezegd: als we het doen, doen we het goed. Niet kleiner, niet zuiniger, maar zoals het hoort. Dat soort beslissingen draagt je decennia mee, zonder dat ze hun vorm verliezen.
Het beton is warm van de zon. Niet doods, niet moe, maar in rust. Alsof het stadion even pauze neemt tussen twee speeldagen in. Tussen twee elftallen door. Je voelt dat hier is geschreeuwd, gezwegen, gevloekt en gejuicht. Dat soort energie verdwijnt niet. Het zakt in de treden. Het blijft hangen. Het wacht.
Boven het veld staan de vier lichtmasten. Hoog, hoekig, functioneel en onmiskenbaar van een andere tijd. Wachters zonder dienst, maar nog altijd paraat. Ze doen niets en doen dat met overtuiging. Hun lampen blijven uit, maar hun aanwezigheid is onmiskenbaar. Ze weten dat hun moment terugkomt. Dat doet het altijd.
Langs de doelzijden liggen de staanplaatsen. Beton in bochten gegoten, treden met geheugen. Hier staan mensen die elkaar niet hoeven aan te kijken om gesprekken te voeren. Hier wordt het leven besproken terwijl het spel voorbijtrekt. Werk, kinderen, blessures, de scheidsrechter, de maandag. Het gras groeit door de kieren, klimop zoekt zijn weg omhoog alsof het zich voorzichtig tussen het publiek wil mengen. De natuur neemt niets over. Ze sluit aan.
In de hoek van het stadion staat het loket. Drie raampjes. Verweerde letters, ja, maar niets definitiefs. Hier worden kaartjes verkocht, alleen vandaag even niet. Vandaag houdt het loket pauze. Straks, of volgende week, schuift er weer iemand aan om wisselgeld te tellen en “veel plezier” te zeggen zonder te weten hoe die middag zal eindigen. Dat soort rustige zekerheid hoort bij stadions die nog steeds meedoen.
Ik sta daar en hoor alles. Doelpunten die nog moeten vallen. Gemopper dat al klaar ligt. Het kind dat hoger komt te zitten en de wereld groter ziet worden. Er is geen geluid, maar het zit er wel. Vast in het beton, in de treden, in de lucht boven het veld.
Als ik terugloop naar de auto kijk ik nog één keer om. De tribune staat half in de schaduw, half in het licht. En ik weet dat dit gevaarlijk terrein is voor iemand met verbeelding, maar het lijkt alsof ze knikt. Geen groot gebaar. Meer een korte bevestiging.
Je bent goed zo. Ook vandaag.
Langs de lijn begint het verhaal, zeggen ze. Maar soms begint het al bij een hek dat openstaat en een stadion dat niets hoeft te bewijzen.