Bezocht datum
De tuinmannen van de Kampfbahn
Klaus zette de grasmaaier stil toen hij de man met de camera het sportpark zag binnenlopen. Geen bal, geen trainingsjack, geen plastic tas met voetbalschoenen. Alleen een camera, een blik vol verwachting en een accent dat hij na twintig jaar Gelsenkirchen feilloos herkende. Nederlands.
De man begon meteen te praten. Over groundhopping. Over historische stadions. Over plekken die je niet meer ziet, maar die er nog wel zijn. Klaus keek even opzij naar Rainer, die langs de oude stenen tribune bezig was het onkruid tussen de voegen weg te krabben. Ze haalden tegelijk hun schouders op. Dit was nieuw.
“Kampfbahn Glückauf”, zei de Nederlander plechtig, alsof hij een naam uit een gebedenboek uitsprak. Hij liep langzaam langs de verweerde betonnen trappen met hun blauwe leuningen, maakte foto’s van de hal onder de tribune en bleef staan bij de met graffiti bedekte muur aan de overkant van het veld. Klaus volgde zijn blik. Hetzelfde grasveld dat hij al twintig jaar maaide. Wat zag deze man dat hij zelf allang niet meer zag?
“Hier hat Schalke null-vier angefangen”, zei de bezoeker, terwijl hij zijn camera op de lege tribunes richtte.
Klaus knikte. Natuurlijk wist hij dat. Iedereen in Gelsenkirchen wist dat FC Schalke 04 hier in 1928 zijn eerste echte thuis kreeg, nog voordat de club groter werd dan de stad die haar had voortgebracht. Maar meestal interesseerde dat niemand meer. De Kampfbahn Glückauf was nu gewoon het veld van DJK Teutonia Schalke-Nord. Een bescheiden amateurclub, met zaterdagen vol ouders, plastic bekers en bratwust.
Op deze doordeweekse dag was er niemand. Behalve Klaus. En Rainer.
En nu dus deze Nederlander.
De man fotografeerde alles. De betonnen opstapjes. De oude stenen toegangspoort met de teksten Kampfbahn Glückauf en F.C. Gelsenkirchen-Schalke 04 E.V. De eigenaardige uitkijktoren aan de zijkant, die eruitzag alsof hij ooit meer had gezien dan hij nog mocht vertellen. Hij bleef hangen bij het contrast tussen de stenen hoofdtribune met haar houten bankjes en blauwe metalen steunen, en de kleine staantribune waarboven flatgebouwen en bouwkranen de horizon bezetten.
“Prachtig,” mompelde hij.
Rainer snoof. “Prachtig? Die muur moet al jaren geverfd worden.”
Maar Klaus begreep het wel. Er was iets aan deze plek. De tribune die half verscholen lag onder haar golfplaten dak. De groene heuvel aan de overkant waar je nog gewoon in het gras kon zitten. De ruwe stenen muur aan de voet van de tribune, die nooit echt netjes werd, maar ook nooit helemaal verdween. Het ademde geen glorie, geen prijzenkast, geen marketing. Het ademde begin.
Hier was Schalke begonnen. Voordat er titels kwamen. Voordat er massa’s kwamen. Voordat alles groter, sneller en luider werd.
Nu hield Klaus het gras om het kunstgrasveld kort en Rainer de paden schoon. Op zaterdagen kwamen er een paar honderd mensen. De rest van de week was er alleen het geluid van de maaier, het schrapen van onkruid en af en toe een merel die het stadion ook niet had opgegeven.
De Nederlander bedankte hen uitvoerig voordat hij vertrok, nog steeds foto’s makend van de vervallen uitgang en de oude poort. Klaus keek hem na en startte de grasmaaier weer.
“Rare vogel!”, zei Rainer.
“Misschien”, zei Klaus. Hij keek nog één keer naar de tribune, de stenen, het veld. “Maar hij ziet het tenminste nog.”
En dat was misschien het mooiste. Dat ergens, aan de andere kant van de grens, iemand zou vertellen over dit stadion. Over dit veld. Over deze plek waar het ooit begon.
Klaus reed nog een extra baantje over de natuurlijke tribune.
Het gras moest er tenslotte goed bij liggen.
Je wist maar nooit wie er kwam kijken.