Bezocht datum
De parkeerplaats is leeg. Geen auto’s, geen fietsen tegen een hek, geen ouders die kinderen afzetten voor training. Niemand die haastig naar binnen loopt met papieren onder de arm. Alleen stilte. En ergens tussen de bomen, verscholen achter een dicht gordijn van groen, ligt wat ooit het Werner Lehmann Stadion was. Thuishaven van SpVgg Oberaußem-Fortuna. Een club die in 2019, na precies honderd jaar voetbal, ophield te bestaan.
Ik wist dat dit een verlaten plek zou zijn. Dat had ik gelezen, gezien op foto’s van andere urbex-liefhebbers. Maar wat ik niet had verwacht, zijn de slaapzakken. Ze liggen bij de ingang, bij wat ooit een toegangspoort moet zijn geweest. Het stadion heeft nieuwe bewoners gekregen. En ik weet: veel van hen hebben een hond. Ik ben niet snel bang. Ook niet als ik alleen een verlaten stadion betreed, waar de natuur het terrein langzaam terugpakt en de schaduwen langer worden naarmate de middag vordert. Maar honden maken alles anders. Met ingehouden adem en gespitste zintuigen loop ik verder. Elke beweging in mijn ooghoek is verdacht, tot ik het veld zie liggen.
Een half gesloopte ruimte. Muren bedekt met lagen graffiti — sommige doordacht, andere schreeuwerig. Een overdekte tribune zonder publiek. Banken waar ooit supporters zaten zijn nu leeg en vol brokstukken. De kleuren zijn fel: oranje figuren, paarse letters. En daar, tussen het verval, een Spongebob. Onwaarschijnlijk, maar op een vreemde manier volkomen passend.
Het veld zelf ligt er verrassend goed bij. De doelen staan er nog, compleet met netten, al zitten er gaten in alsof ze jarenlang geen keeper meer hebben gezien. Hier en daar wat onkruid, ruigere plekken waar het gras zijn eigen gang gaat, maar verder oogt het verzorgd. Kort gemaaid. Bewaakt. Alsof iemand weigert dit veld volledig los te laten. Met een beetje verbeelding zou hier morgen afgetrapt kunnen worden. Ik maak snel wat foto’s. Er staan meer plekken op de planning vandaag, meer verlaten terreinen die ontdekt willen worden. Tot ik, langs de zijlijn, iets zie wat ik hier niet had verwacht.
Een ticketbox. Een hek. En daarachter: nog een veld. Pas dan dringt het door. Dit was niet het hoofdveld. Het echte hart van het Werner Lehmann Stadion ligt verderop, verscholen achter veld 2. Wat ik daar aantref, overtreft alles.
Het hoofdveld is geen veld meer. Het lijkt op een akker die ooit is ingezaaid maar nooit geoogst. Het onkruid staat zo hoog dat ik er nauwelijks overheen kijk. Gele bloemen kleuren wat ooit strak gemaaid gras was, waar spelers slidings inzetten en duels uitvochten. De natuur heeft hier geen compromis gesloten. Ze heeft gewonnen.
Naast de ticketbox staat het clubgebouw. Geel geschilderd, of wat daar nog van over is. Op het dak staat een URL: www.jugend-fussball-oberaussem.de. Een digitale grafsteen. De club leeft nog ergens, diep in het geheugen van het internet. Binnen hangt de deur scheef in haar hengsels. Het plafond ligt op de grond, in lange houten stroken. Een massieve kastenwand staat er nog. Graffiti overal. Gebroken ramen kijken uit op wat ooit het spelersgebied was. Dit waren de kleedkamers. Hier trokken spelers hun shirts aan voor wedstrijden in de Kreisliga D. Hier werden op dinsdagavonden trainingen besproken. Hier stonden jeugdteams op zaterdag te wachten op hun beurt. Peptalks, teleurstellingen, kleine overwinningen. Nu is er alleen puin. En stilte.
Als ik langs de rand loop, hoor ik pas hoe stil het werkelijk is. Dit is geen rustige stilte. Dit is afwezigheid. Stemmen die zijn verdwenen. Toekomstplannen die nooit zijn uitgevoerd. Mocht hier nu iemand opduiken — of een hond — dan zou niemand het zien. Die gedachte is er. Kort. Maar de nieuwsgierigheid wint. Die wint bij mij bijna altijd.
Dan zie ik de tribune. Deels ingestort. Betonnen platen lijken richting de uitgang te schuiven, alsof ook zij besloten hebben dat het hier genoeg is geweest. Sommige delen hangen gevaarlijk scheef. Insecten schieten op uit het hoge gras. Dit is hun wereld nu. Het gras staat zo hoog dat het over de spelers heen zou kijken. Wie hier voetbalt, raakt de bal kwijt voordat hij hem ziet.
SpVgg Oberaußem-Fortuna ontstond in 1950 uit een fusie van twee clubs die beide in 1919 werden opgericht. In de volksmond heette de club simpelweg Oberfort. Honderd jaar voetbal, samengebald in één naam. Wat weinig mensen weten: het vrouwenvoetbal was hier succesvol. Het vrouwenteam werd samen met TSV Siegen recordkampioen van de Regionalliga West. In 1991 promoveerden ze naar de tweede divisie. In 1995 speelden ze zelfs in de nieuw opgerichte 2. Bundesliga. Opmerkelijk, voor een club uit een relatief kleine gemeenschap. Ook dat hield geen stand. In 2006 trok het vrouwenteam zich terug. Te weinig speelsters. Een voorbode. In 2019, precies in het jubileumjaar, viel het doek definitief. Spelerstekort. Betalingsachterstanden. Uitsluiting door de Fußballverband Mittelrhein. De laatste wedstrijd werd gewonnen: 2-1 tegen BBT Kerpen-Türnich. Zelfs het einde weigerde dramatisch te zijn.
Ik sta bij de hoofdtribune en kijk uit over het overwoekerde veld. Deze plek had zoveel kunnen worden. Een park. Woningen. Een speeltuin. Een volkstuin. Een nieuwe bestemming.
Het werd niets.
Het werd vergeten.
Waarom de club verdween, is bekend. Spelerstekort. Geldgebrek. Papierwerk dat zwaarder woog dan idealen. Waarom dit stadion er nog ligt, is lastiger te beantwoorden. Misschien was er geen geld om het op te ruimen. Misschien wacht iemand al jaren op een koper die niet komt. Misschien is slopen ingewikkelder dan niets doen. Of misschien dacht niemand er meer aan. Te druk met het hier en nu.
Wat begon als snel wat foto’s maken, wordt een uur ronddwalen. Tussen beton en groen. Tussen verleden en stilte. Met elke stap wordt duidelijker dat de natuur sterker is dan plannen, herinneringen en beton. En die hond waar ik bang voor was? Die liet zich niet zien. Hij bleef in mijn hoofd, ergens tussen verbeelding en instinct. Een schaduw zonder lichaam. Angst is vaak niet meer dan een verhaal dat je jezelf vertelt.
Ik ben hier wel. Alleen. Op een plek waar honderd jaar voetbal eindigde zonder applaus. Waar beton scheurt en gras geen rekening houdt met herinneringen. Waar niemand kijkt, niemand telt, niemand corrigeert. Voor honden ben ik bang. Voor stilte niet. Voor verval evenmin. Integendeel. Juist hier, op plekken die officieel niet meer bestaan, voel ik me op mijn plaats. Omdat niets hier iets van me verwacht.
Als ik terugloop naar de auto, trekt het hoge gras aan mijn broekspijpen, alsof het me nog even wil vasthouden. Ik kijk niet nog een keer om. Dat hoeft niet. Morgen groeit het onkruid verder. Het Werner Lehmann Stadion blijft wel. Het wacht nergens op.